Klederdracht Noord – Veluwe en dan met name Oldebroek en Oosterwolde.

In ons museum hebben nu in bruikleen een gezin “etalage poppen” in klederdracht uit Museum Boerderij de Bovenstreek Oldebroek.

De grote damespop draag een uitgaanskostuum, op haar hoofd heeft ze de droefmuts,

originele naam is driestrokenmuts en is afgeleid van de drie stroken die vooraan de muts

zijn aangebracht.
Die “voorstroken” zijn ca. 3 meter lang. Ze zijn gewassen, gesteven en geplooid.
De waaier aan de achterkant is ook ongeveer 3 meter lang.
An tijd tot tijd moest de muts een wasbeurt. Dat was een flinke klus. Een mutsenwasser

was er ongeveer 15 á 20 uur druk mee. De beloning was karig, fl. 0,40 (gulden cent per

wasbeurt. Omgerekend naar euro’s dus € 0,18 cent.


Deze muts werd nooit op zondag gedragen tenzij het een doordeweekse kerkdienst was.

Op haar borst draagt ze een lijfje van zwart tibet. In het dialect wordt deze stof tùbéé

genoemd. Het lijfje is prachtig versierd met kant en het geheel is afgewerkt met een

gehaakt kantje, een speld en bloedkoralen met “gouden slot”.
Om haar beide polsen heeft ze polsmofjes die gebreid zijn met kraaltjes.

Verder draagt ze een zwarte rok en een blauw schort. Beiden ook van tibet.

In haar hand houdt ze een tas, de zogenaamde rédecule, de voering is blauw.

Zelfs bij hoogzomers weer gaat de paraplu mee. Een regenbui kan soms uit het niets ontstaan en de muts mag niet nat worden. Gebeurt dat wel dan zakt de met stijfsel gesteven muts als een plumpudding in elkaar.

De mannenpop is gekleed in een kostuum dat van lakense stof is gemaakt. Hij heeft een baantjes pet op. De pet heeft aan de bovenkant 8 stroken, die vanuit het midden naar de zijkant lopen en driehoekige vorm hebben. De pet werd gedragen in de eerste helft 1910 tot 1950.

Onder de jas draagt hij een zwart boezeroen, verfraaid met een zwart befje, een gebreide kralen strik en “gouden brummels”. De kralen strik werd in de regel door de drager, de boer dus, zelf gebreid.
Een dergelijke strik werd alleen op de Veluwe gedragen, de kleurkeus van de kralen werd aan de drager overgelaten, maar bij rouw moesten de kralen zwart en wit van kleur zijn.
De naam van de “gouden brummels” is afgeleid van de vorm. Ze lijken op bramen, die in het dialect brummels worden genoemd.

Het meisje draagt op haar hoofd een zogenaamde nette, waarop een struisveer is aangebracht.
Het ”springerige” ervan ontstaat door de de veer boven stomend te houden.
De nette werd gedragen door meisjes tot de twaalfjarige leeftijd. Dan werd de nette vervangen door een hoedje met kunstbloementjes en blaadjes en dergelijk, de zogenaamde bloementuin.
Verder draagt de jong dame een jurkje met een mooi kantje, zwart kousen en schoenen met een bandje.

De jongenspop is in zondagse klederdracht, het is een eenvoudig kostuum van zwarte lakense stof. Het is een flinke vent want hij draagt al een pet, heeft “gouden brummelknopen” op het befje.

Oldebroek

gallery/Poppen Oldebroek